‘Proviand’, het huisblad van de Nijmeegse studentenkerk wijdde onlangs een themanummer aan hebzucht; het mateloze verlangen naar macht, geld, rijkdom en bezit. In vroeger en meer religieuze tijden was hebzucht een van de zeven hoofdzonden, en door die te begaan kon je je toekomstige leven in een hiernamaals flink vergallen. Al doen we vandaag de dag niet meer zoveel aan het hiernamaals, van hebzucht en hebzuchtige mensen word je nog steeds niet vrolijk.
Veel passeerde in het magazine de revue: het mateloze verlangen naar sieraden, schoenen, paaseitjes, rolexen, magnums, bloesjes, bonussen, vakanties en ga nog maar even door. Zo’n themanummer hapt lekker weg en na lezing van al die overvloed lust je nog wel meer. Vooral omdat er een vorm van hebzucht ontbrak die mijzelf het meeste hindert, namelijk het grenzeloze verlangen naar erkenning.
Erkenning. Weten dat je er voor anderen toe doet, dat ze blij met je zijn en naar je verlangen. Dat willen we allemaal en daar is niets mis mee. Net zomin als dat er iets mis mee is dat je een goed belegde boterham eet, op zijn tijd een flink glas whisky drinkt, met plezier in een lekker warm bed slaapt en een zachte handdoek wilt om je af te drogen.
Maar iedereen heeft wel eens in een restaurant gegeten waar aan het andere eind van de zaak iemand voor iedereen hoorbaar zit te oreren. De rest van de aanwezigen beschouwt hij (en laten we haar ook niet uitvlakken) als een alibi voor zijn openbare optreden. Onverstoorbaar en ononderbreekbaar is hij aan het woord, onverzadigbaar in het bij elkaar graaien van erkenning. En mocht het een van zijn tafelgenoten lukken zelf iets in te brengen, dan is dat niets anders dan een voorzet om verder te babbelen, ‘ja, dat heb ik ook eens meegemaakt en dan...’. Ja, en dan volgt weer zo’n verhaal waarin de spreker zelf het middelpunt van het universum is en ben je zo weer 15 minuten verder.
Omdat het erg lastig is om op te staan, de hele horecagelegenheid door te lopen en vervolgens ten gehore van iedereen te vragen of hij eens een paar minuten zijn mond wil houden, rest weinig anders dan de houding aan te nemen van ‘ik stond erbij en ik keek er naar’. Hooguit kun je met je eigen disgenoten eens meewarig naar het plafond kijken.
Op dat moment heb ik wel eens de fantasie dat de kelner zal optreden. Met stevige tred slalomt hij naar de tafel van de babbelaar, tikt hem op zijn schouders, kijkt hem doordringend aan en wijst hem er op dat hij zijn portie erkenning nu wel gehad heeft. Mocht meneer nog meer erkenning willen, dan kan dat. Uiteraard, dit restaurant serveert alles, maar dan zal meneer wel moeten bijbetalen. Niet in het hiernamaals, maar hier, nu en onmiddellijk.